Winterpostelein

Winterpostelein is één van de dankbaarste planten voor tuiniers die er bestaat, op voorwaarde dat men er de gepaste omstandigheden voor schept. Met zeer weinig inspanning slaagt men met deze plant erin om massale hoeveelheden groene groenten te kweken op momenten waarop groene groenten nog schaars zijn. Nu bijvoorbeeld. Ideaal te kweken in een serre of onder plat glas, produceert de plant vanaf november een behoorlijke portie wintergroen. Vooral nu half februari groeit de plant explosief en is niet bij te houden, wat erin resulteert dat je de planten om de 10 dagen tot op de grond kunt afknippen. Het is een plant om nu massaal te gebruiken want vanaf half mei is het gedaan en moet winterpostelein plaats ruimen voor ander groen.

We zijn bezig aan het PûrNatûr abonnement van 2024, waar de eerste serie al verzonden werd. Voor we aan serie 2 beginnen “Beter Af Zonder”, geven we al enkele prikjes van de lente, waaronder vandaag de folder over postelein. Benieuwd hoe die eruitziet? Bekijk hem hier.

Deze folder maakt deel uit van serie 6 / “Wilde Groenten” omdat je deze plant zult aantreffen in de duinen en op plaatsen met een lichte grond. De plant is gevoelig voor vorstschade, maar groeit nadien wel weer uit. 

De plant heet ook Mijnwerkerssalade en was ten tijde van de goudzoekers in de VS een dankbare voeding voor de meestal arme gelukszoekers die het moesten doen met wat ze lokaal vonden. 

Notenmelk

Voor de meeste mensen staat melk synoniem met gezondheid. 

Naast promoties voor diverse soorten water die “gezondheid” binnen het bereik stellen, is melk de altijd aanwezige belofte. De melkproducenten en distributiecentra zetten alles op alles om melk op een positieve manier in de kijker te zetten. Gezondheidsbladen worden overspoeld door zuivelpromotie. Is het niet de calcium, dan zijn het de bacteriën, of wordt het gesuggereerd als middel tot afslanken of gewichtsbeheer. Verder wordt het imago van melk doorlopend opgepoetst door de analisten die zuivel zien als de “calciumleverancier”. 

Honderden rapporten hebben veel argumenten die nog steeds in de verf worden gezet, weerlegd.  Je krijgt ze zelden te lezen, omdat de informatiestroom grotendeels wordt bepaald door de verkoop.

* Als men beweert dat wij onvoldoende eiwit binnenkrijgen als we geen dierlijke producten eten, heeft dat enkel commerciële redenen : de productie van dierlijke producten is een industrie geworden, die je niet zomaar van de kaart veegt.

Hoe zou je het vinden om aan de uier van een koe te drinken (of zelfs aan de borst van een vrouw)?

Bij alle zoogdieren zien we hetzelfde patroon :

1/ Alle zoogdieren hebben melk vanaf de geboorte van jongen.

2/ Zij drinken geen melk van andere diersoorten.

3/ Als een dier eenmaal gespeend is, drinkt het nooit meer melk : die is voor jonge dieren. 

Het is duidelijk dat we ons niet zo intelligent opstellen als onze dieren, maar wat erger is, is dat zuivelproducten ziekte veroorzaken ! Koemelk veroorzaakt meer slijm dan om het even welk ander voedsel : 

dik, taai slijm dat samenklontert en het ademhalingsstelsel irriteert, slijm dat op de hele binnenkant van het lichaam gaat vastzitten en een soepel functioneren daarvan belemmert, taai, kleverig slijm, een enorme belasting voor de uitscheidingsfuncties, verstopt de slijmvliezen  en vraagt om ziekte. Hooikoorts, astma, bronchitis, voorhoofdsholteontsteking, verkoudheid, loopneuzen en oorontstekingen worden allemaal hoofdzakelijk door zuivelproducten veroorzaakt. Zuivelproducten zijn oorzaak nummer 1 van allergieën.

Maar voor jou die zoekt naar een alternatief, is er notenmelk die je zelf maakt.
Variatie troef door de variatie aan noten, zaden pitten, zoetmiddelen, kruiden, toevoegsels, de gebruikte vloeistof…

Volkoren of geraffineerd

De voorbereidingen voor het PurNatur-abonnement schieten goed op.

Ik ben nu bezig met de serie over granen, graanbereidingen en alles wat ermee verband houdt. Dat is een zeer omstreden materie en het raakt veel mensen persoonlijk als er iets (slecht) wordt gezegd over granen voor menselijke voeding. Daarom is het soms interessant om er de geschiedenis bij te halen.
In 1890 bakten vrouwen thuis meer dan 80 procent van het brood, en het was bruin, niet-gestandaardiseerd. Wanneer werd brood wit?

Brood is altijd een politiek onderwerp geweest. Eigenlijk moeten we al teruggaan naar het “Brood-Rijk”, Rome. Voor de Romeinen hielp het bij het definiëren van klasse; wit brood was voor aristocraten, terwijl de donkerbruine broden voor de armen waren. Later eisten Jacobijnse radicalen witbrood op voor de massa, terwijl broodrellen een voortdurend thema zijn geweest van populistische opstanden. Maar de politieke betekenis van de staf van het leven veranderde aan het begin van de twintigste eeuw, zoals Aaron Bobrow-Strain, die later het boek White Bread schreef, in een artikel uit 2007 uitlegde.

In 1890, schrijft hij, bakten vrouwen thuis meer dan 80 procent van het brood, en dat was bruin, niet-gestandaardiseerd. Nog geen veertig jaar later produceerden commerciële bakkerijen 94 procent van het brood dat de mensen aten, en het was een schaamteloos industrieel product geworden.

“In een tijd die geobsedeerd was door zorgen over zuiverheid, hygiëne en sanitaire voorzieningen, werden de nieuwe broden ontworpen om er gestroomlijnd, sprankelend schoon en witter dan wit uit te zien”, schrijft Bobrow-Strain.

“Agrarische romantici en tegenstanders van de werkgelegenheid voor vrouwen rouwden om de huiselijke bruine broden die moeders op houtkachels bakten.”

Zelfs vóór deze industrialisatie van het bakken had witte bloem zijn critici gehad, oa van William Sylvester Graham. Nu waarschuwden voedingsdeskundigen ervoor dat witbrood, in de woorden van een arts, ‘zo schoon was, dat een meelworm er bij gebrek aan voeding niet van kan leven.’ Of, zoals dokter en radiopresentator P.L. Clark zei tegen zijn toehoorders: ‘hoe witter je brood, hoe eerder jouw dood.’

Bobrow-Strain schrijft dat dit verzet zijn kracht ontleende aan een verscheidenheid aan culturele stromingen. Dieetschrijver Alfred W. McCann waarschuwde voor ‘rassenzelfmoord op kolossale schaal’, aangezien blanke Europeanen en Amerikanen volle granen schuwden, terwijl ‘Hottentotten’ en ‘Oosterlingen’ hun dieet van gezond, ongeraffineerd voedsel behielden.

Naast witte bloem stoorde de onontkoombaar biologische aard van het maken van brood sommige critici, waaronder voorstanders van matigheid die het fermentatieproces verontrustend vonden. In hun boek Uncooked Foods and How to Use Them uit 1905 schreven het echtpaar Eugene en Mollie Griswold dat (het traditionele) zuurdeeg een ernstige schending was van de zuiverheid van het voedsel.” De kritiek op wit brood kwam van alle kanten. Uiteindelijk konden de broodfabrikanten een deel van de zorgen van hun critici compenseren. In de jaren veertig begonnen ze witbrood te verrijken met vitamines en mineralen, en een paar decennia later ontdekten ze hoe ze volkorenbrood in industriële stijl konden maken. (met toevoeging van veel extra gluten)

Ondertussen veranderde de oppositie tegen fabrieksbrood in de progressieve voedselbeweging onder leiding van schrijvers als Michael Pollan en Marion Nestle. Ondanks alle verontrustende of verkeerd gerichte argumenten aan het begin van de twintigste eeuw hadden deze critici iets wat hun moderne tegenhangers grotendeels verloren hebben: een expliciet politieke visie. Waar ze opriepen tot boycots en nieuwe regelgeving voor industriële voedselproducenten, spreekt de populaire voedselschrijver vandaag de dag bijna altijd “u aan als een actieve consument en een passieve burger die alleen verandering teweegbrengt door middel van aankopen of andere voorzieningen.” Want het zijn de gebruikers zelf die de keuze maken. Niemand verplicht je om brood of granen te eten en zo deel te nemen aan een voeding-politiek spel.

Er is veel te zeggen over granen, in het bijzonder over tarwe en zijn opiaatachtige peptiden, die verantwoordelijk zijn voor de populariteit van brood als een ‘troostmaaltijd’, en indicatief zijn voor de narcotische eigenschappen van tarwe. Er is een sterk argument dat de agrarische revolutie werd versneld door milieu-eisen en de menselijke vindingrijkheid, maar ook door de verslavende eigenschappen van psychoactieve peptiden in de granen zelf.

Een interessant voorbeeld van het verslavend potentieel van tarwe heeft betrekking op het Romeinse leger. Het Romeinse Rijk was ooit bekend als het ‘TarweRijk’, waarbij soldaten werden betaald in tarwe. De hele oorlogsmachine van Rome, en zijn enorme uitbreiding, was gebaseerd op de beschikbaarheid van tarwe. Forten waren eigenlijk graanschuren, die een graanwaarde van een jaar hadden om belegeringen van hun vijanden te verduren. Historici beschrijven dat de bestraffing van soldaten was dat ze geen tarwe-rantsoenen meer kregen en in plaats daarvan gerst kregen.